Mijn ouders en grootouders        

Mijn vader en zijn ouders | Mijn vader en de oorlog | Mijn moeder en haar ouders | Mijn vader en de boerderij

Mijn vader en zijn ouders

Het geboortehuis van mijn vader

Mijn vader Jan van der Beek werd geboren op 10 augustus 1911 in Molenend. Zijn ouders Jan van der Beek en Sepkje Douma woonden op Jelte Binnesweg 11 (het huis is op het kaartje hieronder donkerblauw omcirkeld).
Hun huis stond aan een zandweg, een zijweg van de Jelte Binnesweg.
Ze hadden het uitzicht op de vlasfabriek, waar mijn grootvader werkte (de vlasfabriek is op het kaartje hieronder zwart omcirkeld). Ze hadden ook wat vee.
Jan en Sepkje, mijn grootouders, woonden vanaf hun trouwdag in 1910 in dat huis. Ze huurden het van Jan en Imkje Douma, de ouders van Sepkje, voor f 65,- per jaar. Jan en Imkje, mijn overgrootouders, woonden aan dezelfde zandweg op JelteBinnesweg 5.
Het is merkwaardig dat mijn vader Jan genoemd werd, zijn grootvader van vaders kant heette Romke van der Beek en dus zou je verwachten dat hij die naam ook kreeg. Waarom dat niet gebeurd is weet ik niet.

In 1918 kreeg mijn vader nog een zusje. Jiskje (ze werd Jit genoemd) werd geboren op 2 februari 1918. Zij werd dus genoemd naar grootmoeder Jiskje van vaders kant, en niet van moeders kant want dan zou ze Imkje heten. Zij speelde tot haar vierde veel met Jelle Rekker, het jongste zoontje van Siebe Rekker die vlakbij op Jelte Binnesweg 6 woonde (dat huis is op het kaartje hieronder rood omcirkeld). Later is ze met Jelle getrouwd.

donkerblauw: JBwei 11,geboortehuis van mijn vader | zwart: vlasfabriek | rood: JBwei 6, geboortehuis van Jelle Rekker | lichtgroen: JBwei 31, boerderij waar mijn vader opgroeide | lichtblauw: Flokhernepaad 4, huis van mijn overgrootouders | paars: KMwei 15, het huis waarin mijn ouders woonden toen ze trouwden |
wit: Douwelaan 59 (nu 77): huis waarin ik geboren ben | geel: Dr.Kijlstraweg 55, het huis waarin mijn grootouders woonden tot hun dood

Maar op haar vierde was het gebeurd want in 1922 gingen Jan en Sepkje naar Jelte Binnesweg 31, de boerderij waar later Ate Visser woonde. Dat was niet ver weg, maar toch te ver voor een vierjarige om met Jelle te spelen (de boerderij is op het kaartje hieronder lichtgroen omcirkeld).
Deze boerderij was gekocht door Tjipke van der Beek, een broer van pake Jan.
Hier groeide mijn vader op. Na de lagere school ging hij naar de landbouwschool.
En daarna werd hij boer op de boerderij van zijn ouders.
Soms werkte hij er bij op de vlasfabriek, waar mijn grootvader ook werkte. Mijn grootvader moest het vlas, dat al verwerkt was, met zijn eigen paard en wagen naar het treinstation in Hardegarijp brengen. En vandaar werd het vervoerd naar Twente, naar de linnenfabrieken.

Pake Jan is geboren op 02-03-1884 in Molenend, waarschijnlijk woonden zijn ouders toen op Flokhernepaad 4 (dat huis is op het kaartje boven lichtblauw omcirkeld).
Hij was een zoon van Romke van der Beek en Jiskje Popma.
Pake Jan werd al vroeg geconfronteerd met de dood: zijn zus Akke overleed in 1893 (ze was 17 jaar), zijn zus Antje in 1894 (ze was 1 jaar), zijn zus Jantje in 1882 (overleden als baby), nog een zus Akke in 1896 (ze was 14 dagen oud), zus Grietje in 1900 (ze was 14 jaar), zijn broer Gerardus in 1901 (hij was 22 jaar), en in 1914 zijn zus Hinke (op 21-jarige leeftijd).
Hinke was nog maar twee en een halve maand getrouwd toen ze stierf; ze liep bij een huis langs toen er een muur omviel door de harde wind. Zij kwam onder de muur en overleed.
En in 1900 overleed zijn vader Romke aan tbc.
Na de dood van Hinke waren er nog drie kinderen in leven: mijn grootvader Jan en zijn broers Tjipke en Gaatze.

Pake Jan trouwde op 13-08-1910 met Sepkje Douma, hier rechts zie je de huwelijksakte. Klik er op voor een vergroting.
Hij hoefde niet ver te lopen om bij haar te zijn, ze woonden beide in Molenend. Sepkje woonde met haar ouders Jan Douma en Imkje Faber op Jelte Binnesweg 11. Maar in 1910, toen pake Jan en beppe Sepkje trouwden, lieten de ouders van Sepkje een huis aan JelteBinnesweg 5 bouwen, naast hun vorige huis. Mijn grootouders Jan en Sepkje gingen toen op JelteBinnesweg 11 wonen, dat huurden ze van de ouders van Sepkje, en daar werd mijn vader in 1911 geboren. En dat huis kochten ze in 1918 van mijn overgrootvader Jan Douma voor f 1500,-. Klik hier voor de koopakte.

Pake Jan heeft ook in militaire dienst gezeten, hij was van de lichting van 1904. De militiegegevens zie je hiernaast, klik er op voor een vergroting.
Hij is ook een aantal keren op herhaling geweest, o.a. in 1910. Hij was toen arbeider op de vlasfabriek en verdiende f 8,50 per week; aan huur betaalden ze f 65,- per jaar en hij kreeg toen volgens een formulier van de minister van oorlog voor zijn gezin (hij was al getrouwd) een vergoeding van 50 cent per dag; klik hier voor dat formulier.

Volgens een lijstje in het boek “De kerk in ‘t midden” over de Gereformeerde kerk van Oenkerk was pake Jan van 1930 tot 1937 secretaris van het schoolbestuur, zie hier onder. Zijn oomzegger Oepe van der Beek was volgens datzelfde lijstje jaren voorzitter.

Op de foto hieronder zie je het personeel van de vlasfabriek in 1930. Pake Jan is rood omcirkeld. Zijn broer Tjipke was bedrijfsleider van de vlasfabriek, maar hij staat niet op de foto. Ook zijn broer Gaatze werkte bij de fabriek, hij was machinist. Hij ging over de machines en hij woonde in het machinistenhuis naast de fabriek. Zijn vrouw Trijntje staat ook op de foto, links onderaan.

In 1922 gingen Jan en Sepkje naar Jelte Binnesweg 31, de boerderij waar later Ate Visser woonde. En in 1940 gingen Jan en Sepkje, mijn grootouders, en hun kinderen naar Kaetsjemuoiwei 15 (ze ruilden met Gosse Visser), de boerderij waar later Douwe van der Heide woonde (het huis is op het kaartje boven paars omcirkeld). Hieronder zie je de boerderij op Jelte Binnesweg 31, waar mijn vader opgroeide. Daarnaast zijn mijn vader en zijn zus (tante Jit) aan het melken.

Toogdagboekje 1938

Mijn vader en moeder troffen elkaar voor het eerst op een meeting van de jongelingsvereniging.
Op zo’n toogdag gingen mijn vader en zijn vriend Jaap Glas naar Leeuwarden. Daar waren ‘s morgens een aantal sprekers en ‘s middags waren er optredens van artiesten. En dat was de mogelijkheid om een meisje of jongen te treffen. De zogenaamde toogdagen hadden een belangrijke functie als huwelijksmarkt.
Zo leerde mijn vader op die dag mijn moeder kennen, en Jaap Glas kreeg verkering met de vriendin van mijn moeder.
En na verloop van tijd besloten ze te trouwen. Maar in hun verkeringstijd brak de oorlog uit, en moest mijn vader onder de wapenen. Daarover straks.

Toen mijn ouders op 16 mei 1941 trouwden bleven ze op de boerderij op Kaetsjemuoiwei 15 wonen, en mijn grootouders Jan en Sepkje verhuisden naar Dr. Kijlstraweg 55 (het huis is op het kaartje boven geel omcirkeld).
Hieronder zie je rechts het huis op Dr. Kijlstraweg 55, en links staan pake Jan en beppe Sepkje voor hun huis in Molenend.

Trouwfoto van Jelle en Jit

In 1942 ging Jit, de zus van mijn vader, trouwen met Jelle Rekker. Ze gingen wonen op Douwelaan 59 in Oenkerk (het huis is op het kaartje boven wit omcirkeld).
Dat huis hadden mijn ouders vlak daarvoor gekocht en dat verhuurden ze blijkbaar aan Jelle en Jit.
Vijf jaar later gingen ze er zelf wonen. Ik heb geen idee waarom ze het eerst verhuurden en er zelf niet gingen wonen.
Jelle was gardenier, hij verbouwde groente en probeerde die te verkopen op de veiling in Leeuwarden. Hij huurde een stuk grond aan de KMwei, vlak bij het huis van mijn ouders.

In de laatste jaren van de oorlog zat oom Jelle in het verzet. Hij heeft zijn belevenissen beschreven in een boek “A journey 1”. De omslag daarvan zie je hieronder.
Ook in het boek “Tekens van toen in Tietjerksteradiel” staat een stukje van hem en zijn neef Siebe Rekker over hun belevenissen, dat kun je hier lezen.
Toen ik jaren later, rond 1970, de schuur van mijn ouders aan het opruimen was, vond ik stencils met schietinstructies en hoe je een revolver moest onderhouden en bedienen. Die waren van de verzetsgroep van oom Jelle. Ze waren tussen het riet gestoken.

Over hun belevenissen in Canada schreef oom Jelle ook een boek: “A journey II”. Het omslag daarvan zie je ook hieronder.

Na de oorlog verhuisden Jelle en Jit naar Oudkerk, ook daar was oom Jelle gardenier. Er waren in die tijd veel mensen die dachten dat er in Nederland geen toekomst voor hen was. Er werden voorlichtingsavonden georganiseerd over emigratie naar Canada. Ook Jelle en een aantal van zijn broers gingen naar zo’n voorlichtingsavond. En ze besloten de sprong te wagen. Twee broers en een zuster van Jelle vertrokken in september 1947 al naar Canada, dat waren Jurjen, Gerrit en Pietsje.
Zij hielden toen met zijn drieën boelgoed, zie de advertentie hieronder.

Jurjen schreef in 1948 een brief naar het Friesch Dagblad over zijn ervaringen, die kun je hier lezen.
Jelle en Jit stelden het nog even uit, want pake en beppe hadden het er erg moeilijk mee. Ze vertelden dat ze het als een begrafenis zouden beschouwen als Jelle en Jit zouden vertrekken, ze verwachtten dat ze hen dan niet weer zouden zien.
En toch vertrokken Jelle en Jit een half jaar later, dus begin 1948, met hun drie kinderen Siebe, Jan en Jochum. Over hun belevenissen in Canada schreef oom Jelle ook een boek: “A journey II”.

Jelle en Jit hebben in Canada eerst in Smithfield gewoond, dat ligt circa 10 km. ten Westen van Trenton. Na een half jaar werd Jelle veeboer in Grafton, dat ligt circa 60 km. ten Westen van Trenton. Nadat hun huis in Grafton was opgebrand gingen ze terug naar Smithfield.
Daarna ging Jelle in een autofabriek werken en gingen ze wonen in NewCastle. Vervolgens bouwde oom Jelle zelf een huis in Courtice waarin ze gingen wonen. Tenslotte gingen ze naar Bowmanville, dat ligt aan de noordzijde van Lake Ontario.
En inderdaad hebben pake Jan en beppe Sepkje hen niet weer gezien. Beppe Sepkje overleed ruim drie jaar later, op 13-06-1951. En pake Jan overleed twee jaar daarna, op 19-07-1953.
Ik weet nog dat mijn grootvader overleed, en dat er begrafenis was. Ik ging niet mee, ik was die middag bij Hindrik en Janke, onze overburen. Op de dag dat mijn grootvader overleed ging de bode, Jan Visser (Jan Doedtjes), bij de buren langs om te vertellen dat pake overleden was. Hij had dan een hoge zwarte hoed op en een zwart pak aan (zie de foto hier onder), hij was dan de “leedoansizzer”. Hij had een erg officiële tekst, die hij bij alle buren herhaalde: “Heden is overleden …”.
De moeder van Jan Doedtjes Visser, dat was Doedtje dus, was de tweede vrouw van mijn overgrootvader Jan Douma. Het is merkwaardig dat hij Jan Doedtjes genoemd werd, dus met de naam van zijn moeder er bij, want normaal werd de naam van de vader altijd toegevoegd.

Mijn vader en de oorlog

Op 28 augustus 1939 werd de mobilisatie afgekondigd. Mijn vader was in militaire dienst geweest en moest zich op 29 augustus in Leeuwarden melden. Mijn vader hoorde bij de 1e compagnie 1e bataljon 33e Regiment Infanterie, kortweg 1-1-I-33 R.I.
De soldaten van zijn bataljon werden gekeurd en gelegerd en de volgende dag namen ze wapens en andere toebehoren voor het bataljon in ontvangst. Ze stonden onder commando van kapitein Bouwe Smid.
Op 1 september vertrok het bataljon onder grote publieke belangstelling te voet naar Pingjum, een afstand van ongeveer 35 km.
De volgende dag liepen ze naar de plaats van bestemming: Wons. Mijn vader werd gelegerd in de schuur van de boerderij van Elgersma, Oude Schoolpad 1.

Een kazemat bij Wons

Al vrij snel werd er door de militairen begonnen met het aanleggen van kazematten; dat zijn verdedigingsbouwwerken voorzien van schietgaten, meestal gemaakt van beton, maar hier niet. Ook moesten ze prikkeldraadversperringen aanbrengen.
De kazematten werden van hout gemaakt. Ze bestonden uit rechtopstaande schotten, afgedekt met bielzen. En het geheel werd afgedekt met aarde. Door de hoge grondwaterstand was het onmogelijk ze in te graven, dus de bouwsels staken een eind boven het maaiveld uit.
Tegen luchtbombardementen en granaten waren de kazematten niet bestand. De soldaten gaven zichzelf weinig kans tegen de vijand, ze noemden de Wonsstelling dan ook wel “wee-ons”.
De kazematten noemden ze wel doodskisten en bij één hing een naambordje met “De Wanhoop”


De weilanden voor de frontlijn bij Wons werden onder water gezet, maar in mei 1940 was de waterhoogte van het IJsselmeer zo laag dat er niet genoeg water kon worden binnengelaten om de inundatie op peil te houden.
Veel weilanden bleven droog of er stond maar een paar centimeter water.

In het late najaar werden er barakken gebouwd aan de westzijde van Wons in een weiland achter de boerderij van boer Elgersma. De militairen werden, nadat die barakken klaar waren, daarin gelegerd zodat boer Elgersma zijn schuren en stallen weer kon gebruiken.

Zo naderde mei 1940.
Op 11 mei om ongeveer 17.00 uur was er bij de Wonsstelling de eerste ontmoeting met de Duitsers.
Het waren verkenningstroepen en door gericht mitrailleurvuur werden ze verdreven.
Maar er ging op 11 mei ook van alles mis. Een aantal militairen, die in Wons bezig waren met bepaalde werkzaamheden, werden door eigen mensen vanuit de kazematten onder vuur genomen. Deze mensen stonden onder commando van sergeant-majoor De Jong.
Eén van de oorzaken was dat er gewaarschuwd werd dat Duitsers in uniformen van Nederlandse militairen hun doelen trachtten te bereiken. Verder was sergeant-majoor De Jong (hij was commandant van de 2e sectie bij Makkum) op 11 mei helemaal de kluts kwijt. Hij brulde steeds “Verraad! Verraad!” en deed hele vreemde dingen.
De kapitein adviseerde hem rust te nemen in zijn kosthuis. Hij ging echter naar een boerderij en schoot op militair Tjeerd Boomsma, terwijl hij riep: “Jij bent een Duitser!”. Tjeerd Boomsma was behoorlijk gewond maar kon nog vluchten door door een raam te springen. Toen schoot De Jong nog op een aantal andere mensen en vertrok daarna richting Makkum. Een aantal officieren zijn toen achter hem aan gegaan en hebben hem neergeschoten.

Op 12 mei begon het echt.
Om ongeveer 13.00 uur ging de Duitse infanterie, gesteund door licht geschut, op weg vanuit Pingjum in de richting van Wons. Ze gingen niet langs de grote rijksweg, zoals verwacht, maar via de binnenweg richting Haaijum.

Eén kazemat bij Wons had schietgaten in de richting van Pingjum, maar de drie andere kazematten waren zo aangelegd dat ze alleen maar in de richting van de betonbrug in Rijksweg 43, in oostelijke richting, konden schieten. Want er werd op gerekend dat de Duitsers uit die richting zouden komen. Maar ze kwamen uit het Noorden i.p.v. uit het Oosten.
De kazemat die wel kon vuren in noordelijke richting werd al vrij snel door artillerievuur op anderhalve kilometer afstand uitgeschakeld.
De andere kazematten werden ook zonder problemen door de Duitsers ingenomen. Met grote drijfzakken trokken de Duitsers over de sloten.
De soldaten, die de kazematten bemanden waren al vrij snel weggevlucht naar de achterliggende boerderij. Mijn vader zat bij één van de kazematten ten zuiden van Wons, op een weiland van boer Politiek.
Na overleg werd besloten dat de manschappen zich over zouden geven. Er werd met een witte sprei uit de boerderij gezwaaid.

De sectie, die het kanon in Wons bediende en het pantserafweergeschut (pag), ging het iets beter af. Het geschut was erg verouderd, maar deed zijn werk nog goed. Het kanon en de pags stonden ook in de verkeerde richting opgesteld maar reserve-kapitein van der Linden heeft er persoonlijk voor gezorgd dat deze zo snel mogelijk in de goede richting werden geplaatst.
Toen de Duitse soldaten richting Wons kwamen, gemotoriseerd en op fietsen, werd het vuur op hen geopend. De Duitse wielrenners vluchtten direct terug en er werden een aantal Duitse voertuigen uitgeschakeld. Maar de Duitsers kwamen steeds met nieuwe versterkingen en zwaarder geschut.
Tijdens het gevecht is soldaat Klaas Rienewerf uit Molenend een arm afgechoten. Hij is aan de verwondingen bezweken. Later is er een straat in Molenend naar hem genoemd. Mijn vader zal Klaas vast wel goed gekend hebben want mijn vader kwam ook uit Molenend, maar hij heeft het er nooit over gehad.

Toen er grotere granaten begonnen te vallen en de munitie voor het kanon opraakte werd besloten terug te trekken naar Makkum, om dat te helpen verdedigen. De manschappen vertrokken met een paar bussen daar naartoe, maar toen bleek dat de bezetting er al verdwenen was.
Richting Afsluitdijk trekken kon niet, omdat de Duitsers al te ver in die richting waren opgetrokken.
Daarom werd besloten naar Workum te vertrekken. Ze konden niet verder met de bussen, want ten zuiden van Makkum waren een aantal bruggen vernield en er waren wegversperringen aangebracht. Dus ze gingen te voet verder. Toen ze in Gaast waren verschenen er plotseling Duitse pantserwagens, waardoor ze tot overgave werden gedwongen.
Ze gingen lopend verder naar Workum, dat ook al bezet bleek te zijn door de Duitsers.
De groep werd krijgsgevangen genomen en ondergebracht in “Ons Gebouw” in Workum. Er zijn in Gaast nog wel een aantal soldaten gevlucht, voordat de Duitsers er waren. Die hebben bij een boer burgerkleding gekregen en zijn daarna rechtstreeks naar huis gegaan.

De volgende ochtend, 13 mei, zijn de krijgsgevangen soldaten om tien uur met vrachtauto’s vanuit Workum naar een kamp bij Meppen gebracht.
Dat ligt net over de grens bij Emmen. Daar kwamen ze tegen 23 uur aan.
In Meppen kwamen krijgsgevangenen uit het hele land aan, en door de grote toevloed is er geen goede registratie geweest. Daardoor is niet precies bekend wie er wel en wie niet krijgsgevangen zijn genomen.

Vanuit Meppen liepen ze op 14 mei naar het kamp Versen, dat was ongeveer 3 uren lopen. Daar werden ze ingeschreven, ze kregen een kom en een lepel, en ze bleven er vier dagen. Ze werden hier aan het werk gezet, het terrein moest worden geëgaliseerd.
Daarna moesten ze weer terug lopen naar Meppen, ‘s morgens om 5 uur op 20 mei, naar het station. Ze werden in goederenwagons gezet, zonder banken, 40 per wagon. Daar werden ze eerst een aantal uren in opgesloten, tot om 2 uur de trein vertrok.
Ze kregen een kuchje, goed voor drie maaltijden. En toen begon een lange treinreis naar kamp Lückenwalde (Stalag III-A) dat 52 km ten zuiden van Berlijn ligt. Gelukkig konden ze onderweg, tijdens het wachten bij de stations, water drinken.
De volgende dag, op 21 mei, om 10 uur kwamen ze op het station in Lückenwalde aan. Na een half uur lopen kwamen ze in het Kriegsgefangenenlager Lückenwalde aan.
Het kamp was helemaal omgeven door prikkeldraad. Op de hoeken stonden hoge wachttorens met gewapende bezetting en felle zoeklichten.

Kriegsgefangenenlager Lückenwalde

Op het terrein stonden enorme tenten (12 x 35 m) die plaats boden aan zo’n 400 personen.
Verder waren er twee keukens en een hospitaal. Naast de Nederlanders zaten er ook 500 Polen.
De Polen zaten al een poosje in het kamp en het was hun taak nieuwe tenten en barakken op te zetten. De Nederlandse krijgsgevangenen (5200 man) zaten in dertien tenten van 400 man. Enkele dagen later kwamen er nog 6000 Franse krijgsgevangenen in het kamp.

Op het avondappèl van woensdag 22 mei kwam er een Duitse officier met een belangrijke mededeling: “De Führer heeft gemerkt dat de Hollandse soldaten moedig en eerlijk hebben gevochten en heeft daarom besloten dat zij zo gauw mogelijk weer naar huis terug mogen keren”.
Maar het zou nog een paar weken duren voor het zo ver was.
In iedere tent werden de krijgsgevangenen in groepen verdeeld. De groep van mijn vader bestond uit sergeant Simon Hofstra (die was verantwoordelijk voor de groep) en nog 16 Friezen:
Th. Fokkema, D. Kuipers, M.J. Tolsma, J. van der Beek, D, Laansma, A. van der Heide, D. van der Jagt, A. Veenstra, R. de Vos, S. Paulusma, S. Geerdink, C. Koopmans, J. de Haan, H. Robrach, en korporaal B. Gaastra.

Er waren in het kamp drie waterkranen voor 5200 mensen

Om besmettelijke ziekten te voorkomen moest iedereen, voor zover dat nog niet was gebeurd, worden ingeënt tegen typhus en pokken. Sommigen werden er behoorlijk ziek van.
Er moest op de grond worden geslapen, op een laagje stro, dat steeds dunner werd. Om 9 uur ‘s avonds moest iedereen in de tent zijn.

In een hoek van het kampterrein was een aantal waterkranen aangebracht, waarbij je je wassen kon. De kranen liepen van ‘s morgens tot ‘s avonds.
Maar er moesten 5200 mannen zich wassen, dus het was vaak moeilijk om aan de beurt te komen. Sommige soldaten probeerden ook hun kleren te wassen, maar dat viel niet mee met een klein stukje zeep en drie waterkranen voor 5200 mensen.

Het eten bestond uit in de schil gekookte aardappelen, of er was een soort brei van aardappels, gort en vlees of stokvis; kartoffelsuppe werd dat genoemd. Groente kwam er niet aan te pas. Voor de rest was er dan nog brood met wat margarine, worst of marmelade.
‘s Morgens om 10.00 uur werd er al begonnen met het uitdelen van voedsel, dat gebeurde ploegsgewijs.
In grote bakken stond het eten buiten bij de keuken en tent na tent trok er langs. Het duurde vaak tot ver in de middag voor dat de laatsten aan de beurt waren.
‘s Middags tegen vier uur werd het brood uitgedeeld, dat was een kwart kuch. Dat was bestemd als avondmaaltijd en ontbijt voor de volgende ochtend. Opbergruimte was er niet, daarom werd het vaak meteen voor het grootste gedeelte opgegeten en de rest ging in de jaszak.
Aan de kampleiding was gevraagd of er misschien wat werk gedaan kon worden, maar dat was niet nodig omdat, volgens de kampleiding, elke dag het bericht kon komen dat de krijgsgevangenen weer naar huis konden gaan. De enige afleiding was kaarten en dammen met zelfgemaakte spelen.
Wel was er elke dag een ploeg die corvee had. De tent moest dan worden schoongemaakt en de aardappelen ook, die lagen op een hele grote hoop, en de rotte moesten worden weggegooid.

Fragmenten uit het dagboek van sergeant Hofstra, beschreven in “De memoires van Simon Tette Hofstra”, geschreven door Jacob Topper

Op 31 mei kreeg iedereen een briefkaart om een berichtje naar huis te sturen. Er werden 5200 “kriegsgefangenenkarten” geschreven. De volgende ochtend werden de kriegsgefangenenkarten per tent verzameld en ingeleverd, zodat ze verstuurd konden worden.
Op dezelfde dag was er nog een verrassing. Er was een eenvoudige kantine in elkaar gezet waar de krijgsgevangenen van hun eigen geld bier, limonade en sigaretten konden kopen. Bier kostte 20 cent per fles.

Op vrijdag 7 juni 1940 werd meegedeeld dat iedereen de volgende volgende morgen om 5 uur klaar moesten staan voor transport, dan zou iedereen vertrekken. Na het warme eten moesten de kommen en lepels ingeleverd worden. Er was heel veel twijfel bij iedereen, want het was de dag ervoor ook al gezegd. Maar op zaterdag 8 juni keerde de hoop terug: er moesten drie groepen worden gemaakt van elk ongeveer 1700 man.
Het zou nu toch echt gaan gebeuren! Om 8 uur moest de eerste groep aantreden en werd er begonnen met het uitdelen van brood en worst (per drie man een brood en een stuk worst).

Bij het opstellen lukte het de groep van mijn vader niet om bij elkaar te blijven door de enorme drukte.
sergeant Hofstra, Bijlsma, Robroch, Fokkema en mijn vader waren nog bijelkaar.
Eindelijk werd het sein tot vertrek gegeven en even later marcheerden de groepen door het stadje Lückenwalde en bereikten het station.
In de wagons lagen deze keer stellages, die in elkaar gezet konden worden, waardoor vrijwel iedereen een soort zitplaats kon krijgen. Er zaten weer 40 in een wagon.
De hele zaterdag en ook in de nacht werd er doorgereden, wel moest er steeds gewacht worden op stations.
Op zondagmorgen 9 juni kwam de eerste trein met 1870 soldaten bij Oldenzaal aan.
De soldaten werden bij terugkeer door de bevolking gastvrij onthaald. Iedereen kreeg sigaretten, brood en krentenbollen. En later kwam er nog soep.

Veel soldaten hadden baarden van een maand oud. De plaatselijke kappers hadden handenvol werk, voor een dubbeltje werden de zware baarden geschoren. De soldaten konden gratis een brief naar huis versturen. In zwembaden en badhuizen konden de mannen daarna een douche nemen en dat was wel nodig ook.
Iedereen kreeg ook nieuw ondergoed. De meeste soldaten hadden hun ondergoed al zes weken aan en snakten naar iets schoons.
Artsen onderzochten de teruggekeerde krijgsgevangenen en door de schrijvers werd er druk gewerkt aan de benodigde verlofpassen en vervoerbewijzen.
De nu ex-krijgsgevangenen werden voor één nacht ondergebracht in daarvoor beschikbare ruimten en bij particulieren, die zich daarvoor aangemeld hadden.
De volgende dag, 10 juni 1940, keerden de meeste krijgsgevangenen weer in hun woonplaats terug.

Trouwfoto van mijn ouders

Toen begon voor mijn vader het gewone leven weer. Maar het duurde waarschijnlijk wel even voor hij zijn draai weer had gevonden. Hij was nog nooit zo lang van huis geweest, en hij had natuurlijk verschrikkelijk veel beleefd.
Wie de boerderij zo lang draaiende heeft gehouden weet ik niet, waarschijnlijk mijn grootvader Jan en Jit, de zuster van mijn vader. En misschien nog anderen. Maar nu moest hij zelf weer melken.
Nog geen jaar later, op 16 mei 1941 trouwden mijn vader en moeder. Het zal wel geen groot feest geweest zijn, want daar was de tijd niet naar.

Mijn vader bleef op dezelfde plaats wonen, maar nu met zijn vrouw Trijntje Veenstra. Zijn ouders verhuisden naar Dr. Kijlstraweg 55.
Op 7 maart 1942 kochten mijn ouders het huis met schuur en stallen en land op Douwelaan 59 te Oenkerk. Dat was maar ongeveer 200 meter van het huis waar ze woonden. Maar ze gingen nog niet aan de Douwelaan wonen, ze verhuurden het eerst aan Jelle en Jit. Jit was de zuster van mijn vader, en Jelle en Jit trouwden in juni 1942. Die gingen daar dus eerst wonen.
Mijn ouders hadden waarschijnlijk geld geleend van de ouders van mijn moeder, zodat ze het huis aan de Douwelaan konden kopen. Mijn moeder had misschien ook wel aardig wat gespaard, ze werkte als kostuumnaaister bij “gegoede mensen” en ze was al 32 jaar toen ze trouwde dus ze had jaren kunnen sparen. Later ging mijn moeder nog regelmatig op bezoek bij mevr. Niermeijer, waar ze o.a. gewerkt had.

Hieronder zie je links een foto waarop mijn vader aan het ploegen is.
Daarnaast mijn vader en buurman Hendrik de Jager op een feestwagen, mijn vader met een sigaret in zijn mond en een pet op zoals meestal. De rechter foto is waarschijnlijk op dezelfde feestdag gemaakt, mijn vader met een sigaar tussen zijn vingers en broer Jan. Op zon- en feestdagen rookte hij een sigaar, anders altijd sigaretten. En soms kauwde hij pruimtabak, maar dat moest stiekem want dat mocht mijn moeder niet zien.
Meer over mijn vader vind je bij Mijn vader en de boerderij

Ons gezin in 1954

Rechts mijn ouders op 27 september 1974

Mijn moeder en haar ouders

Mijn moeder Trijntje Veenstra werd geboren op 12 januari 1909 in Leeuwarden. Haar ouders Rienk Veenstra en Jisseltje Spoelstra woonden aan de Willem Loréstraat in Leeuwarden. Mijn moeder was de helft van een tweeling, haar zuster Tetje Veenstra werd op dezelfde dag geboren.
Mijn moeder had een heel goed stel hersenen, maar wat mijn moeder aan verstand over had had haar zuster te weinig. Tetje was geestelijk niet helemaal volwaardig. Mijn moeder moest haar altijd beschermen en zich over haar ontfermen.
Hieronder zie je links de tweeling als baby, daarnaast zijn ze al wat ouder, en rechts zie je een foto van mijn moeder alleen.

Mijn grootvader Rienk is geboren op 14-09-1874 in Bergum als zoon van Wybe Symens Veenstra en Trijntje Klazes Boskma.
Hij begon als boerenarbeider, o.a. in Oudkerk en Rijperkerk.
Hij heeft ook in het leger gezeten, zie de gegevens van de keuring hiernaast.

En op de middelste foto hieronder zie je hem als soldaat. Er is ook een foto van hem in uniform te paard, hij zat bij de cavalerie.
Later was hij voerman op een petroleumwagen bij “Tulp”. Eerst ging dat met paard en wagen (zie de foto hier onder rechts), later met een vrachtwagen.
Op de afbeelding hieronder links ze je de geboorteakte van pake Rienk, klik er op voor een vergroting.

In 1900 overleed Trijntje Boskma, de moeder van mijn grootvader Rienk Veenstra; zijn vader Wybe was vijf jaren daarvoor al overleden. Ze zijn niet oud geworden, Trijntje was 62 toen ze kwam te overlijden en Wybe was 56 toen hij stierf.
Mijn grootvader kocht toen het huis en een stuk bouwland in Bergum aan de straat Tussendijken, dat van zijn ouders was geweest, voor f 480 van zijn broers en zussen. Dat waren Klaas, Ebe, Ybeltje, Duifke en Metske; samen hadden ze dat geërfd. Het huis is toen gewoon publiek verkocht, en bij de finale verkoop heeft pake Rienk het gekocht via zijn broer Klaas. Klik hier om de koopakte daarvan te zien. Pake Rienk was toen boerenarbeider in Oudkerk.
Op 28-04-1906 verkocht pake Rienk die woning in Bergum weer voor f 675; hij woonde toen in Rijperkerk en was stalknecht. Klik hier voor de verkoopakte.
Een maand later trouwde hij met mijn grootmoeder Jisseltje Spoelstra. Jisseltje kende hij al heel lang, want acht jaar voor hun huwelijk was Jisseltje haar broer Thomas al getrouwd met Ybeltje, een zus van pake Rienk.
In 1907, dus een jaar later, werd pake Rienk voerman op een petroleumwagen. Ze gingen toen in Leeuwarden wonen, op Willem Loréstraat 72.
Tot 1909 woonden ze daar, dus daar werden mijn moeder en haar zuster geboren. In 1907 hadden ze eerst nog een levenloos kindje gehad.
In 1910 kocht pake Rienk een huis met land in Tietjerk, voor f 4150,-, klik hier voor de notariële akte.
Het werd voor hem gekocht door Johan Georg Semler, koffiehuishouder in Zwartewegsend. Hij leende ook geld van deze Johan Semler, namelijk f 2500,-, zie de afbeelding rechts (klik er op voor een vergroting).
Van 1911 tot 1912 woonden ze in Tietjerk en was pake Rienk boer, maar daarna gingen ze weer naar Leeuwarden.

Eind 1911 hield pake Rienk eerst nog boelgoed, hij verkocht drie koeien, 15 ton hooi en boerengereedschap. De opbrengst was f 525,-
Klik hier voor de beschrijving van dat boelgoed.
Ze gingen daarna weer in Leeuwarden wonen. En hij werd chauffeur, nu dus niet meer met paard en wagen maar met een vrachtauto.

Eind 1916 verkocht pake Rienk het huis met land in Tietjerk voor f 5000 (klik hier voor de akte); ze hadden eind 1911 al boelgoed gehad maar het huis zelf met het land hadden ze blijkbaar een aantal jaren verhuurd. Eind 1916 kocht pake Rienk ook nog een huis aan de Straat van Welgelegen voor f 1205 (klik hier voor de notariële akte) en eerst gingen ze daar zelf wonen maar later verhuurden ze dat huis voor f 1,40 per week. Ze gingen zelf toen weer aan de Willem Loréstraat wonen, nu op nummer 30.

Blijkbaar had pake Rienk geld over doordat hij het huis met land in Tietjerk had verkocht, want hij leende ook geld uit aan anderen: in 1921 een obligatie ter waarde van f 1500,- aan Tjalling Michiels Douma uit Giekerk, tegen een rente van 5,5% en ook in 1921 een obligatie ter waarde van f 1200,- aan Gerk Alles van der Veen in Molenend. Verder in 1922 nog een obligatie ter waarde van f 1500,- aan Tjeerd Wouters van der Meer in Giekerk. Het geld, dat hij van Johan Semler had geleend in 1911, was in 1918 afbetaald. Alles was in notariële akten vastgelegd, een afbeelding van de eerste obligatie zie je hier rechts (klik er op voor een vergroting).
Tetje Meijer, de moeder van beppe Jisseltje, ging in 1916 bij mijn grootouders inwonen omdat haar man net overleden was. Zij heeft twee jaar bij hen ingewoond en is toen naar Bergum gegaan, waarschijnlijk naar een rusthuis. Dat blijkt uit de onderste regel van het gedeelte van het bevolkingsregister dat je verderop ziet.

Pake Rienk was vrachtrijder, eerst met paard en wagen, later met een vrachtwagen.
Hij zat vol grapjes en mocht graag vertellen over zijn belevenissen.
Als ze in de winter met de paard en wagen reden waren ze heel goed ingepakt tegen de kou. Als ze onderweg bij een café langs kwamen riepen ze de cafébaas soms naar buiten en vroegen ze of hij hen bier wilde brengen. Ze hoefden dan de paarden niet uit te spannen en ze konden hun kleren allemaal aanhouden, anders was het een heel gedoe.
Volgens pake Rienk gebeurde het eens dat een paard net moest plassen toen ze hun bier ophadden. Pake Rienk hield het bierglas er onder zodat het bierglas weer vol zat. Toen riepen ze de cafébaas erbij en zeiden dat het bier niet te zuipen was. De cafébaas nam een slok en was het wel met hun eens.
Dit en soortgelijke verhalen mocht pake Rienk graag vertellen.

Toen pake Rienk vrachtrijder was moest hij ook vaak regulateurs voor mensen kopen. Hun oude friese klok wilden ze dan wel kwijt en die nam pake Rienk dan mee. Zo handelde hij wat in oude friese klokken. Eén van die friese klokken hield hij zelf. Later kreeg mijn moeder die en die hangt nu nog steeds bij mijn broer Jan in huis.

Een gedeelte uit het bevolkingsregister van Leeuwarden

Mijn grootmoeder Jisseltje Spoelstra is geboren op 06-07-1875 in Garijp, als dochter van Tjibbe Thomas Spoelstra en Tetje Baukes Meyer.
Je ziet haar op de foto hieronder. Ze staat voor het linker raam, daarnaast staat haar jongste broer Titus en voor de deur van hun huis op Eendrachtsweg 1 te Garijp staan haar ouders. Jisseltje was toen naaister, net zo als mijn moeder later zou worden.
In het midden zie je een foto van haar uit die zelfde tijd. En rechts zie je haar met pake Rienk.

Mijn grootouders Rienk en Jisseltje trouwden op 26-05-1906, ze waren toen dus al 31 en 30 jaar.
Je ziet de trouwakte hiernaast, klik er op voor een vergroting. Ze gingen in Leeuwarden wonen, en mijn grootvader werd dus voerman. Ze kregen eerst in 1907 een doodgeboren kindje, en op 12-01-1909 een tweeling: mijn moeder en tante Tetje.
Toen mijn zussen Seppie en Thea en ikzelf naar de ULO in Leeuwarden gingen aten we ‘s middags altijd warm bij pake en beppe. Dat was voor mijn moeder natuurlijk heel handig. Maar het was voor pake en beppe wel een zware belasting want ze waren al ouder dan 85. Na een paar jaar hield het dan ook op.
Beppe Jisseltje was regelmatig ziek, maar pake Rienk bijna nooit. Hij was heel sterk, alleen was hij wat doof en hij had regelmatig een bloedneus toen hij oud was. En dat was heel moeilijk te stoppen, maar volgens de huisarts behoedde hem dat voor ergere kwalen. Hij had geen bloedverdunner nodig.
Hij onderhield jarenlang de groentetuin van mijn ouders in Oenkerk. Hij kwam dan altijd op de fiets, werkte in de tuin, en ging dan weer terug op de fiets. Op zijn tachtigste kreeg hij nog een nieuwe fiets en die heeft hij gebruikt tot zijn 85-ste. Twee dagen voordat hij 86 werd werd ik 12 jaar en toen kreeg ik zijn fiets.

Mijn moeder ging na de lagere school leren voor kostuumnaaister. Op de foto hieronder (midden) zie je haar op die school (tweede van rechts).
Toen ze klaar was met school ging ze aan het werk als kostuumnaaister bij een aantal gegoede gezinnen. Op de linker foto hieronder zie je haar aan het werk.
Tante Tetje, haar zuster, ging als huishoudelijke hulp werken bij een aantal gezinnen.
Samen zaten mijn moeder en tante Tetje op een oratoriumvereniging en op een meisjesvereniging, zie onderstaand bericht in “Het kleine krantsje”.

Ze gingen ook wel op vakantie, de derde foto hier onder is daar het bewijs van. Ze zaten toen op een eiland in een huisje van Anton van Geenhuizen. Dat was bijzonder in die tijd, mijn vader ging nooit op vakantie.

Ook nadat ze getrouwd was naaide ze veel. Voor mijn twaalfde jaar heb ik bijna nooit nieuwe kleren gekregen en mijn broers en zussen ook niet. Ik moest natuurlijk de kleren van mijn oudere broer Jan afdragen. Verder werd bijna alles door haarzelf gemaakt. En dat ging altijd in rap tempo.
Als er iets gemaakt moest worden dan werd dat vrijwel altijd op dezelfde dag afgemaakt, al moest ze de halve nacht doorwerken.

Als we schoolfeest hadden dan waren er ook versierde wagens, waarop de kinderen van de school zaten, en die reden dan een aantal keren door het dorp. Elke wagen had een thema en vaak moesten de kinderen op zo’n wagen dan speciale kleren aan hebben die pasten bij het thema. De ouders van de kinderen, die bij ons op de wagen zaten, kwamen dan meestal één of meerdere avonden bij ons en dan maakten ze die kleren onder leiding van mijn moeder. Natuurlijk van heel goedkoop materiaal, vaak van crêpepapier.

Mijn moeder was lid van de vrouwenvereniging, en regelmatig zat ze in het bestuur. Ze is ook een aantal keren presidente geweest, en ook van het overkoepelende bestuur.
Met de boerderij bemoeide ze zich niet zo veel. Alleen de kalveren waren voor haar, zij zorgde er voor dat die te drinken kregen. En de financiën hield ze in de gaten, ze zorgde voor de boekhouding.
Mijn vader bemoeide zich niet met de huishouding. Als mijn moeder een dag weg ging, dan maakte ze ‘s morgens eerst rijst klaar. Dat werd in een grote pan in bed gezet onder een dikke laag dekens. En dan konden wij daar ‘s middags van eten.

Mijn moeder en Jan Theo in het hooi

Toen mijn moeder ongeveer 60 jaar was kreeg ze plotseling een beroerte. De ene helft van haar lichaam was toen verlamd, en ze kon niet meer praten. Dat was een enorme klap, ook voor mijn vader. Hij was helemaal onthand omdat mijn moeder alles deed in de huishouding, hij had nog nooit een kop koffie gezet of een ei gebakken.
Ik studeerde toen in Groningen, maar ik ben naar huis gegaan en een aantal weken thuis gebleven. En heb toen voor mijn vader en mezelf gezorgd. Niet dat ik een geweldige kok ben, maar aardappelen met sperziebonen of bloemkool lukte wel en ik kon ook wel koffie en thee zetten.
Mijn moeder heeft toen een hele poos in het ziekenhuis gelegen, en daarna moest ze nog revalideren, maar alles heeft zich redelijk hersteld. Ze is niet weer helemaal de oude geworden, maar ze had een geweldig doorzettingsvermogen en ze heeft alles op alles gezet om zo goed mogelijk te herstellen.
Ze kocht een sjoelbak en ging regelmatig sjoelen om maar zoveel mogelijk met haar rechter hand en arm te oefenen.
Ze kocht ook nog een fototoestel, maar het kostte heel veel moeite om het knopje met de vinger van haar rechter hand in te drukken omdat die half verlamd was. Op de foto hier rechts zie je haar in het hooi met haar fototoestel en Jan Theo.

Een paar jaar later zijn mijn ouders nog een aantal weken naar Canada geweest, naar oom Jelle en tante Jit. Dat was heel spannend, vooral voor mijn vader, want hij was nog nooit met vakantie geweest. Maar het ging allemaal prima, het was een groot succes. Mijn vader is op het erf van Jelle en Jit druk aan het stenen zoeken geweest, en hij was regelmatig in “de beans” zoals hij later zei.
Weer een paar jaar later kwamen Jelle en Jit naar Friesland, en toen zijn mijn ouders nog met hen op vakantie naar Duitsland geweest.
Toen hij 65 werd is het meeste vee verkocht en toen zouden mijn ouders van hun oude dag gaan genieten, maar dat heeft helaas maar heel kort geduurd. Mijn ouders konden nog heel erg genieten van hun kleinkinderen. Hieronder zie je mijn vader met Jan Theo bij de kalveren en bij de lammetjes. En links daarvan zie je hen op onze trouwdag.

Vlak voor de geboorte van onze tweede zoon Folkert is mijn vader overleden. Op een morgen sprak hij alleen maar wartaal en hij zag er erg ziek uit. Hij is met de ambulance naar het ziekenhuis gebracht en raakte daar al vrij snel buiten bewustzijn. Zo heeft hij daar een week gelegen en toen is hij overleden, veel te jong op 66-jarige leeftijd.

Mijn moeder heeft zich vrij snel over zijn overlijden heen gezet. Ze had een aantal vriendinnen in de buurt waar ze veel mee omging, en één keer per jaar ging ze een week naar Oosterbeek, naar hotel Dreyeroord (zie hieronder de foto links). Eén van ons (de kinderen) bracht haar er dan heen met de auto en zo werd ze ook weer opgehaald.
Als ze jarig was op 12 januari gingen we altijd met de hele familie uit eten in hotel Van der Valk in Hardegarijp. Dat was altijd een heel feest, vooral als de sorbets op tafel kwamen (zie hieronder de tweede foto ). Toen ze tachtig werd gingen we eerst samen op de foto, die zie je ook hieronder.
Als er bij ons iemand jarig was reden Bettie’s ouders over Oenkerk en dan namen ze mijn moeder mee. Dan kon ze nog heel erg genieten, zie de rechter foto hieronder met Jan Theo, Folkert en Jelle.

Een aantal jaren later, nadat mijn vader overleden was, kreeg mijn moeder weer een beroerte. Ze kwam weer in het ziekenhuis en na een aantal weken werd ze uit het ziekenhuis ontslagen, maar ze kon niet alleen thuis zijn. Daarom kwam ze in een verpleeghuis.
Maar na ongeveer een half jaar was ze toch weer behoorlijk opgeknapt. Op zekere dag was mijn vrouw Bettie bij haar op bezoek, en toen zei ze dat ze mee wilde. Ze wilde niet langer in het verpleeghuis blijven.
Bettie zag dat helemaal niet zitten, maar ze bleef volhouden. Toen vroeg Bettie aan het verplegend personeel of dat zomaar kon. Toen werd er gezegd dat mijn moeder zelf baas was, dat ze haar niet tegen haar zin tegen konden houden. Zo zag ik vol verbazing Bettie met mijn moeder bij ons thuis komen.
Ze heeft een nacht bij ons geslapen en toen hebben we alles in het werk gesteld om haar weer in haar eigen woning in Oenkerk terug te krijgen, er werd thuishulp geregeld enz. En toen hebben we haar naar haar eigen huis gebracht.
Mijn moeder kon niet goed meer slikken en bijna niet meer praten, dus het ging heel moeizaam. Maar ze wilde niet naar Heemstra State, het bejaardentehuis.
Seppie en Nammen, mijn zus en zwager, woonden vlak bij haar. Ze kwamen heel vaak bij haar en ze hebben jaren lang op mijn moeder gelet. Maar Seppie had het er heel moeilijk mee dat mijn moeder niet naar Heemstra State wilde, het was eigenlijk niet verantwoord dat ze nog alleen woonde.
Ze schreef in het laatste jaar nog een brief naar Klaske Woudwijk, de moeder van Bettie. Klik hier om die te zien.
Hier onder een paar foto’s uit die tijd.
Links is ze met Folkert aan het praten op haar verjaardag, in 1985 in Hardegarijp. Daarnaast zit ze met Jelle op de bank, en rechts met Afra en haar eerste achterkleinkind Edwin.

Op een nacht heeft mijn moeder toen ook nog haar heup gebroken. Ze moest naar de WC, en is toen gevallen. Ze kon niet meer overeind komen en ze had haar alarm niet om, zodat ze niemand kon waarschuwen. Ze is toen blijven liggen tot ze ‘s morgens is gevonden.
Ze werd naar het ziekenhuis gebracht en ze kreeg nog een nieuwe heup. En wonder boven wonder liep ze een week later al weer. Toen werd ze ontslagen uit het ziekenhuis, en gelukkig kon ze toen een aantal weken terecht op de ziekenboeg van Heemstra State. En na die weken was er een kamer voor haar beschikbaar in het bejaardentehuis Heemstra State.
Daar heeft ze nog ongeveer een half jaar gewoond, en toen is ze overleden. Ze is nadat ze haar heup had gebroken nooit meer de oude geworden, ze was erg verzwakt en ze had vocht achter de longen.
Op 16 november 1998 is ze in Oenkerk begraven. Jissie heeft tijdens de rouwdienst het levensverhaal van moeder Trijntje voorgelezen, dat kun je hier nalezen.

Mijn vader en de boerderij

Mijn geboortehuis

Mijn vader is op de landbouwschool geweest en hij werd daarna boer. Eerst bij zijn vader, terwijl ze ook samen bij de vlasfabriek in Molenend werkten. Later begon hij voor zichzelf.
Mijn ouders kochten de boerderij aan Douwelaan 59 in Oenkerk. Het was eigenlijk een huis met schuren. En daar zijn ze eigenlijk constant aan het verbouwen geweest.
Allereerst hebben ze het huis verbouwd.
Toen ze er kwamen in 1946 had je aan de voorkant twee ramen. Zij hebben er aan de rechterkant een stuk bijgebouwd, en toen had je aan de voorkant drie ramen. Je ziet hier rechts de foto van het vernieuwde huis, je kunt aan de stenen in de muur nog wel zien wat er is aangebouwd.
Er kwam in dat nieuwe gedeelte een grote diepe kelder, waar je vanuit de achterkamer in kon komen.
Een kelder was belangrijk, want we hadden geen koelkast. En de wintervoorraad aardappels moest er in kunnen. En mijn moeder wekte veel groenten in, en die wekflessen namen ook nogal wat ruimte in beslag.
Aan de voorkant kwam in het nieuwe gedeelte een slaapkamer met een vast bed. Er was gewoon een bed in getimmerd en de bodem daarvan, waarop het matras lag, was de bovenkant van de kelder. Dat was een handige manier om stahoogte in de kelder te krijgen.
Er was nog een andere, kleinere kelder in de achterkamer. Die zat er al eerder in.
En op een gegeven moment begon de vloer in de achterkamer te verzakken. Toen we de vloer er uit braken en er nieuwe planken in wilden leggen bleek daar nog een schuilkelder te zitten, die in de oorlog gebruikt was.

Een paar jaar later werd de bovenverdieping van het huis aangepakt. Boven was één grote ruimte, waar wij als kinderen met z’n vijven sliepen. Mijn ouders sliepen in de enige slaapkamer boven, aan de voorkant.
Teake van Teake en Jikke maakte er twee slaapkamers bij op de bovenverdieping, aan de achterkant. Aan de verlichting hoefde niets veranderd te worden want er hing één lamp, die voor drie vertrekken gebruikt werd. De kamers werden zo gemaakt, dat de lamp precies in de hoek kwam. Er werd een hoekje uit de scheidingswanden weggehaald, zodat de lamp in de twee nieuwe slaapkamers scheen en ook nog op de overloop.
Mijn broer Jan en ik sliepen op een tweepersoonsbed in de ene slaapkamer, Seppie en Thea op een tweepersoonsbed in de andere slaapkamer, en daar stond ook nog een éénpersoonsbed waarop Jissie sliep.
Toen mijn broer Jan naar de middelbare school ging moest hij huiswerk maken op de slaapkamer, en toen verhuisde ik naar de overloop. En Jissie kreeg toen de slaapkamer aan de voorkant van het huis en mijn ouders gingen beneden slapen.
Ik had geen eigen kamer, dus toen ik naar de middelbare school ging maakte ik mijn huiswerk gewoon in de achterkamer waar iedereen zat. Ik kon me goed concentreren en had er geen last van dat er om mij heen werd gepraat. Een televisie hadden we nog niet, die kwam pas toen ik van de middelbare school af was en in Groningen ging studeren.
Dat ik mijn huiswerk in de kamer moest maken had wel een voordeel: daar was het altijd lekker warm. De anderen zaten in de winter met elektrische straalkacheltjes te klooien, maar het bleef boven vaak koud. Als het vroor zaten de ijsbloemen vaak op de ramen en het huis was in die tijd natuurlijk nog niet geïsoleerd.

Melken

Mijn vader molk 13 koeien, zoveel pasten er in de stal. Aan het eind van de stal was “it húske”. We hadden geen wc in huis, onze grote boodschap deden we op it húske in de stal en dat verdween dan rechtstreeks in de gierkelder. Er lag altijd een stapel kranten, dus we hoefden ons daar niet te vervelen. En het was er lekker warm in de winter door de warmte die de koeien gaven.
In het begin moest mijn vader met de hand melken. Dan was hij ongeveer twee uren bezig. Dat moest ‘s morgens en ‘s avonds.
Hij begon ‘s morgens om ongeveer 5 uur. Hij ontbeet dan niet, dat deed hij na het melken. Maar hij begon altijd met een kopje cognac vermengd met een geklopt ei. Dat maakte hij ‘s avonds, voordat hij naar bed ging, klaar. Later werd de cognac vervangen door berenburg.
‘s Middags moest er weer worden gemolken, dan begon hij om ongeveer half vijf.
Hij moest wel op tijd klaar zijn, want de melk werd opgehaald door de “molkrider“. Die kwam met paard en wagen en dan werden de bussen met melk op de wagen getild door de melkrijder. Dat was zwaar werk, want er kon 30 liter melk in zo’n bus, en de bus zelf woog ongeveer 10 kg, dus een volle bus woog ongeveer 40 kg.
Mijn vader had altijd vier bussen met melk. De melkrijder pakte de melkbus met twee handen vast, zijn benen had hij een beetje uit elkaar, zwaaide dan de melkbus eerst tussen de benen door een eindje naar achteren, en dan kon hij de bus gemakkelijk omhoog op de wagen slingeren.

Jan Tiemens de Zwart

De eerste jaren was Jan Tiemens onze melkrijder. Hij sprong van de wagen, liet het paard langzaam doorlopen, en slingerde dan snel de vier melkbussen op de wagen die ondertussen verder reed, liep dan snel weer naar de voorkant van de wagen en sprong er weer op. De bussen kwamen zo op de wagen zonder dat de wagen stil stond. Dat scheelde een hele boel tijd.
Elke boer had zijn eigen busnummer. Wij hadden nummer 339.
Als mijn vader een koe gemolken had dan leegde hij emmer in de bus. Op die bus zat een “theems” of melkzeef, en daar zaten twee metalen plaatjes met gaatjes in. En tussen die zeefjes werd een zogenaamd “watje” gelegd, dat was een rond stuk stof dat het vuil tegenhield. Want hoe schoner de melk, hoe beter.
Als een koe gekalfd had dan werd de eerste melk van zo’n koe “biest” genoemd. Die biest mocht niet in de melkbus, dat werd meestal aan de kalveren gevoerd. De eerste dagen moest je dat dus apart houden. Als de melk van zo’n koe te snel weer in de bus gedaan werd was de melk te “vuil”, en dan kostte je dat geld.

Een koe gaf per keer ongeveer 10 liter melk. We hielden ook altijd een paar liter melk voor onszelf, en sommige buren kwamen wel eens om een liter melk. Om dat af te passen gebruikten we een “hjelmingel”, daar paste een halve liter in. Als ik het me goed herinner vroegen mijn ouders dan 35 cent voor een liter melk. Dat is in al die jaren nooit veranderd.
Als de bussen niet langs de weg stonden als de melkrijder kwam, dan reed die gewoon door en dan moest je de melk zelf naar de melkfabriek in Giekerk brengen. Dat was een heel gedoe, want dat moest met paard en wagen. Een auto of tractor hadden we niet. Maar ik kan me niet herinneren dat mijn vader ooit te laat is geweest, hij was altijd vroeg genoeg. Hij zette ook nooit een wekker, hij werd altijd op tijd wakker.
Er waren wel boeren, die regelmatig te laat waren met de melk, het was algemeen bekend wie dat waren.
De melkrijder moest, denk ik, zo’n 100 bussen ophalen. Die werden geleegd bij de melkfabriek. En dan moesten ze weer worden teruggebracht, want de bussen moesten natuurlijk weer gebruikt worden. Maar de bussen waren dan niet leeg, ze werden dan gevuld met wei. Dat kregen de boeren terug, en dat dronken de kalveren en het andere jongvee dan op. Wij dronken het zelf ook wel eens, het had wel iets van karnemelk.

Op zaterdag had de melkrijder voor elke boer een zogenaamd “molkpûdsje” bij zich. Een klein papieren zakje waarin een formuliertje, waarop stond hoeveel melk er in de afgelopen week was geleverd, het eiwit- en het vetgehalte van die melk, en hoeveel geld dat had opgeleverd. En dat geld zat ook in dat zakje. Verder zat er nog een kartonnetje met in het midden een watje, waarop je kon zien hoe vuil de melk geweest was. En wat dat betreft werd de melk in drie klassen ingedeeld: klas 1, 2 of 3. Als je melk van klas 1 had dan kreeg je een toeslag, en als je klas 3 had dan kreeg je iets minder voor de melk. Mijn vader had meestal melk van klas 2, dat was normaal en dan kreeg je de normale prijs.
De melkrijder deed het melkzakje gewoon op het deksel onder het handvat van één van de bussen, en die bussen werden aan de kant van de weg neergezet. Er zat een behoorlijk bedrag in: per keer 120 liter melk en dat 14 keer in een week en we kregen ongeveer 32 cent per liter, dus meer dan 500 gulden.
Mijn ouders waren natuurlijk altijd heel nieuwsgierig hoeveel geld er in zat, en of we eerste klas of tweede klas melk hadden. Ze zaten vaak al te wachten en dat zakje zat dus niet lang op de bus.

Ongeveer één keer per maand kwam er een monsternemer als mijn vader aan het melken was. Hij woog de hoeveelheid melk van elke koe, en hij deed van elke koe een klein beetje melk in een flesje. Dat werd op de fabriek geanalyseerd en daar kreeg je later een rapport van.
Ook kwam er regelmatig iemand langs om de nieuwe koeien te “schetsen”. Hij tekende de zwart-wit tekening van zo’n koe op een voorbedrukt formulier, waar al een koe op stond. Daar kon je de koe dan aan herkennen, want de koeien hadden nog geen oorplaatjes.
Elke koe had ook een naam, die de boer zelf moest bedenken. Wij hadden veel Japkes en Eelkjes. Als Japke 3 een kalf kreeg dan werd dat Japke 4 genoemd, enz.

Als mijn vader in de winter aan het melken was dan kwam er vaak een buurman of kennis een praatje maken. Die zat dan op de meelbak in de stal.
Midden in de stal stond namelijk een grote bak, waar meel in zat. In de winter kregen de koeien hooi en kuil, maar ze kregen ook nog “krachtvoer”.
Voor de winter kreeg mijn vader vaak een vrachtwagen vol pulp of aardappelzetmeel. Daar werden de koeien dan mee bijgevoerd, en daar werd dan meel aan toegevoegd.
Dat meel werd één keer per week in zakken geleverd door Piet Barelds uit Molenend. Die meelrekening was altijd een grote kostenpost. Gelukkig was Piet Barelds altijd heel soepel, ze mochten die meelrekening ook wel in de zomer betalen als er minder kosten waren.

De eerste jaren molk mijn vader altijd met de hand. Later kwam er een melkmachine, dat was een hele verbetering. Maar mijn vader molk altijd elke koe nog na, de laatste halve liter haalde de melkmachine er niet uit.

Mest en gier

De stront van de koeien, vermengd met stro dat regelmatig op de stallen werd uitgestrooid, kwam in de grup terecht. Dat was een goot achter de koeien. Ook de urine kwam daar in. Eén keer per dag werd de stal “uitgemest“. De grup werd dan leeggehaald, dat werd in een kruiwagen gedaan met een greep, en dan werd het op de mestvaalt gekieperd. Dat was zwaar werk, want een volle kruiwagen woog er behoorlijk in en dan moest je die bij de mestvaalt omhoog rijden bij een grote dikke plank op en dan moest je hem omkieperen.
Toen mijn vader in de 60 was, en ik in Groningen studeerde, had hij er veel moeite mee om de stal uit te mesten. Ik kwam vrijdagsavonds altijd thuis, en dan bleek vaak dat de mest van de hele week nog in grup zat en soms ook “oer de mjilling”. Dan was ik de hele zaterdagmorgen bezig om de stal uit te mesten. Ik vond dat eigenlijk wel leuk werk, dan kon ik mijn hoofd helemaal leeg maken en ik hoefde niet naar fitness (dat bestond toen trouwens helemaal nog niet).
Er bleef urine, vermengd met dunne stront, achter in de grup, en dat werd in de gierkelder geduwd. In het begin was er maar een kleine gierkelder naast de stal, die snel vol raakte en dus regelmatig geleegd moest worden. Er is, al toen ik nog heel jong was, een grote gierkelder van beton voor de stal gebouwd. Die was helemaal afgedekt met een grote betonplaat, en daar zat natuurlijk een deksel in dat er afgehaald kon worden. Mijn vader kocht toen ook nog een pomp, waarmee hij de gier in de “jarrewein” kon pompen, een speciale wagen waarmee de gier over het land verspreid werd. Dat was een hele vooruitgang.
Achter de gierwagen zat een “jarremûntsje”, dat ronddraaide en er voor zorgde dat de gier over het land werd verspreid. Dat gaf wel een geweldige stank.

Weiland

Na de winter gingen de koeien naar buiten, dan liepen ze in het weiland.
De eerste keer na de winter, als de koeien in het weiland werden gebracht, maakten ze vaak sprongen van blijheid. Zo mooi vonden ze het dat ze zich weer vrij konden bewegen.
De hokkelingen, dat zijn grote kalveren, deden het nog veel gekker. Daarom bond mijn vader de eerste dag de hokkelingen altijd twee aan twee aan elkaar vast. Anders waren ze zo gek dat ze in volle vaart overal doorheen en tegenaan liepen.
De eerste week was het ‘s nachts meestal nog te koud voor de koeien om buiten te blijven. Ze werden dan ‘s middags voor het melken weer binnen gehaald. En ‘s morgens na het melken werden ze dan weer naar buiten gebracht.
Dat was altijd een heel gedoe, want we hadden het land niet naast de deur. Mijn vader haalde de koeien dan één voor één uit de stal, ze kregen een touw om de horens en dan gingen we per persoon met maximaal vier koeien aan het touw naar de wei. We gingen dan met alle koeien tegelijk over de weg naar het weiland, er waren dus altijd vier mensen nodig. En ‘s avonds moesten ze op dezelfde manier weer worden opgehaald.
Het dichtstbijzijnde stuk land was tegenover het huis van Douwe van der Heide aan de KMwei, waar mijn ouders eerst ook hadden gewoond. Dat was ongeveer 200 meter van ons huis, en daar brachten we ze dan meestal heen.

Hier ben ik aan het opperen op het stuk tegenover het huis van Douwe van der Heide. Op de achtergrond zie je de boerderij waar mijn vader is opgegroeid.

Toen mijn vader als boer begon waren de stukken weiland heel erg verspreid. Er waren een paar stukken tegenover Douwe van der Heide. Dan hadden we een stuk op het midden van de Douwelaan. Verder een stuk in de “Wodgaren” en een stuk op “it Reidfjild”, dat is beide achter Roodkerk dus een behoorlijk eind weg. En dan nog twee stukken in Birdaard, dat was zeker 8 km. bij ons vandaan. De meeste stukken waren 4 pondemaat (mijn vader gaf de grootte van een weiland nooit aan in hectare, maar in “pûnsmiet”; dat is ongeveer 0,37 ha) groot, dus ongeveer 1,5 ha. We hadden in totaal ongeveer 10 ha.

Soms moesten de koeien naar het weiland in Birdaard verweid worden. We liepen dan met een aantal mensen met 3 of 4 koeien per persoon aan het touw, naar Birdaard. Mijn vader ging vervolgens elke dag twee keer op de brommer naar Birdaard om te melken, hij had een puchje. De melk leverde hij dan aan de melkfabriek in Birdaard, zodat hij de bussen niet elke keer mee naar Giekerk hoefde te nemen.
Als de koeien in de Wodgaren liepen dan ging mijn vader daar met paard en wagen heen, met de melkbussen op de wagen. Dan moest ik als klein jongetje ‘s middags vaak mee om de hekken open en dicht te doen. We moesten dan namelijk een heel stuk door weilanden, en bij elk weiland zat een hek dat eerst open moest en later weer dicht. En als het erg geregend had was het soms een modderpoel waar we doorheen moesten, dat was geen pretje.

De boerderij van Ate Monsma, die mijn vader kocht. Nammen en Seppie wonen er nu.

Vlak bij ons, aan de Jelte Binnesweg, woonde Siep Woudstra. Siep was ook boer en mijn vader en Siep werkten veel samen. Siep had het meeste land dichtbij. Een aantal stukken voor en achter hun woning, dat was voor ons ook vlakbij. Siep en Tine verhuisden, toen ik een jaar of tien was, naar een grotere boerderij in Janum. En toen kon mijn vader de stukken land, die voor en achter de boerderij van Siep lagen, huren. Dat was een hele verbetering.
Een paar jaar later kwam de boerderij met land van Ate Monsma te koop. Ate en Teatske woonden op de plaats waar nu Nammen en Seppie wonen, en zij kwamen regelmatig bij mijn ouders. Ate ging op een gegeven moment in “de sanering“. Dat was een nieuwe regeling waarbij boeren uitgekocht werden door de regering. Dat was bedoeld om het aantal kleine boerenbedrijven te verminderen, het moest allemaal grootschaliger. Ate en Teatske gingen verhuizen en hun boerderij mocht vanaf dat moment niet meer als boerenbedrijf gebruikt worden.
Mijn vader kocht hun boerderij met het land, dat er omheen lag. En Nammen en Seppie kochten het woonhuis weer van mijn vader, en zij gingen toen trouwen.
Mijn vader hield het land, dat een paar honderd meter van onze boerderij lag. Vanaf dat moment had mijn vader alles vrij dichtbij.

De kerk

Mijn vader moest ‘s morgens altijd vroeg uit de veren (ja, bijna letterlijk, want ze hadden een heel oud slap matras gevuld met veren). Daar had hij geen moeite mee, ik heb hem er nooit over horen klagen.
In het begin van hun huwelijk werkte mijn vader overdag ook nog wel in het vlasfabriek. Volgens de verhalen ging hij dan soms al om 2 uur uit bed, zodat hij voor het melken nog een stuk kon maaien. Dat deed hij toen nog met de zeis, en dat ging het beste als het gras niet te droog was en ‘s nachts was het altijd wel wat vochtig.
Mijn vader kon heel goed met de zeis maaien. Hij deed een vrij brede strook in één keer, en het stuk dat gemaaid was was zo vlak als de zee.
De zeis moest regelmatig scherp gemaakt worden, mijn vader ging dan “seineharje” (de zeis haren). Hij zat dan op een “tuolle” met de zeis voor zich, het handvat op zijn schouder. Dan ging hij met een speciale hamer op de snede van de zeis slaan, zodat het ijzer daar dunner en daardoor scherper werd. Het was een heel precies werkje en bij elke slag die hij maakte gingen de tanden van zijn kunstgebit ook op elkaar. Het tandengeklepper gaf precies het tempo aan waarin hij aan het haren was.
Omdat mijn vader er vroeg uit moest ging hij ‘s avonds meestal niet laat naar bed. Maar dat had hij niet altijd zelf in de hand. Hij is namelijk een heel aantal keren ouderling in de Gereformeerde kerk geweest. En de kerkenraadsvergaderingen duurden vaak heel lang. En als je ouderling was moest je ook op huisbezoek, en dat werd vaak ook laat.
Elk gezin, dat lid was van de kerk, kreeg in die tijd elk jaar huisbezoek. In het begin kwam er dan altijd een ouderling met de dominee. Later kwamen er twee ouderlingen. Ze hadden dan drie huisbezoeken op een avond. De eerste van 7 tot 8 uur, dan van 8 tot 9 en de laatste van 9 tot 10 uur. Maar dat liep vaak uit.
‘s Zondags werd van de kansel afgekondigd wie er die week huisbezoek had en wanneer. Dat was altijd een hele rij, dus dat duurde nogal een poos. Later werden er lijsten opgehangen voor in de kerk, waarop af te lezen was wanneer en waar de huisbezoeken werden gehouden.
Nog bijna niemand had telefoon in die tijd, dus dit was de handigste manier om het te regelen.

De gereformeerde kerk van Oenkerk

We gingen altijd elke zondag twee keer naar de kerk, ‘s morgens om half tien en ‘s middags om kwart over twee. We hadden dan onze zondagse kleren aan, die hadden we door de week nooit aan.
‘s Morgens werden eerst alle schoenen gepoetst, dat deden we om de beurt. We hoefden nooit te vragen welke schoenen gedragen zouden worden, want we hadden allemaal maar één paar schoenen. Mijn vader had die schoenen ook alleen aan als hij naar de kerk ging, of als hij een vergadering had. Thuis droeg hij altijd klompen. De schoenen sleten dus ook heel weinig. Hij heeft nieuwe schoenen gekregen toen hij trouwde en zijn tweede paar schoenen kreeg hij van ons toen mijn ouders 25 jaar getrouwd waren.

We zaten met z’n zevenen naast elkaar in de kerk, dus we hadden behoorlijk wat ruimte nodig als we naast elkaar wilden zitten. Maar we hadden vaste plekken.
Eén keer per jaar werden de zitplaatsen in de kerk verdeeld. Elk gezin mocht dan een lootje trekken met een nummer, en dat nummer bepaalde wanneer je aan beurt was om te zeggen welke zitplaatsen je wenste. Wij zaten bijna altijd op de tweede rij van de galerij. We moesten wel op tijd in de kerk zijn, want vijf minuten voordat de dienst begon ging er een lichtje branden, en dat was het teken dat vanaf dat moment alle zitplaatsen vrij waren.

Ook één keer per jaar was de verkiezing van ouderlingen en diakenen. Van tevoren waren er door de kerkenraad tweetallen opgesteld, waaruit gekozen kon worden. En die namen waren ook al op twee zondagen voorgelezen. En als er geen bezwaren tegen die mensen waren ingediend werd er tussen die tweetallen gekozen. Het werd in die tijd nog als een eer beschouwd als je werd verkozen, en er was vrijwel nooit iemand die de verkiezing niet accepteerde.

Als we in de kerk zaten zat mijn vader altijd naast mijn moeder, en dan gaf mijn moeder tijdens de preek ongeveer om de twee minuten mijn vader een duw, anders viel hij in slaap. Maar als hij ouderling was zat hij niet bij ons, maar in het “fjouwerkant”, in de bank voor de kerkenraad. En dan zagen we hem regelmatig “knikkeboljen“. Maar hij zat vaak naast zijn neef, Eelke Dijkstra, en die gaf hem dan wel een duw. Maar Eelke had het zelfde probleem, want die was ook boer.

Er werd tijdens elke kerkdienst gecollecteerd, drie keer kwam de pong langs. We kregen daarom, toen we heel klein waren, allemaal drie centen mee voor de collecte, en verder nog een pepermuntje voor tijdens de preek.
Mijn vader is ook een aantal jaren lid van de commissie van beheer geweest. Dan moest hij met de collectezak rond in de kerk. Van tevoren kreeg hij dan een briefje waar hij moest collecteren. Zo’n briefje is bewaard gebleven, je ziet het hiernaast.

Na de morgendienst gingen we naar huis. Eerst koffiedrinken en daarna ging ik vaak naar Floris en Iep. Iep speelde dan op het orgel en de anderen zongen er bij. Ik zong dan ook mee, of we gingen samen op de blaasinstrumenten spelen: Floris op de trombone, ik op de bugel, Marjanne op de saxofoon, Jacob op de cornet en Lolke op de bariton. Ik vond dat prachtig.
Na de middagdienst bleven we vaak eerst een poosje hangen voor de kerk, er stond dan meestal een hele groep gewoon wat te praten. Daarna gingen we met onze vriendengroep naar huis, om de beurt bij iemand thuis theedrinken.
Eerst was Sjoerd van der Werf alleen mijn vriend. Later kwam Wiepie Kuitert er bij, dat was een neef van Sjoerd. En daardoor kwam Dirk Noordstra er ook nog bij, die woonde vlak bij Wiepie.
Na de thee ‘s zondagsmiddags gingen we vaak naar Stania State, of we deden samen spelletjes. Toen we al wat ouder waren gingen we vaak kaarten, meestal “tachtigje”. En we bleven ook avondeten bij degene die aan de beurt was. Dat was vaak heel gezellig, soms was er ook nog een broer of zus die vrienden bij zich had. En ‘s avonds bleven we dan ook nog een poos bij elkaar. Samen spelletjes doen of plaatjes draaien.
Door de week speelde ik alleen met Sjoerd, maar ‘s zondags waren we dus met een hele groep.
Na de lagere schooltijd verwaterde het, doordat Wiepie en Dirk naar de ambachtsschool gingen en Sjoerd en ik naar de ULO. En na de ULO-tijd was het met Sjoerd ook afgelopen, want Sjoerd had toen nog maar één gedachte: achter de meisjes aan. En ik prakkizeerde daar in die tijd nog niet over.

Op zondagavond bij de familie Zijlstra. Jaap en Dirk zijn aan het dammen, Rienk en Meint kijken toe.

Vanaf die tijd was ik ‘s zondags bij Dirk en Gauke Zijlstra, en Jaap en Meint Meindertsma.
Met Gauke was ik al langer bevriend, door de muziek en doordat we beide op de ULO zaten. Dirk was een broer van Gauke, en daardoor kwam die er bij.
En Jaap en Meint waren in die tijd net in Oenkerk komen wonen en wilden ook graag contact.
In mijn HBS-tijd en ook in mijn studietijd bleven we ‘s zondags bij elkaar komen.
‘s Zondagsavonds keken we meestal eerst naar Studio Sport, en daarna gingen we ‘s zomers wel eens samen wandelen op de Rinia van Nautaweg in Oenkerk. Daar wandelden dan heel veel jongeren van onze leeftijd, ook kwamen ze wel uit andere dorpen. Dat werd “de veiling” genoemd. Niet dat er iets verkocht werd, maar iedereen werd wel goed bekeken.
Vanaf ongeveer 1910 komen we als vriendengroep weer samen, nu één keer per jaar, en voor zover mogelijk met aanhang. Maar de groep wordt kleiner, Meint en Gauke zijn al overleden nu ik dit schrijf (1916).

Maaien en hooien

De maaimachine met twee paarden er voor

Mijn vader had een maaimachine die door twee paarden getrokken moest worden. Hij leende, als hij ging maaien, altijd het paard van Siep Woudstra. En als Siep moest maaien leende die het paard van mijn vader.
Ik moest vaak mee als mijn vader ging maaien, want de machine liep regelmatig vast. Er zat dan te veel gras voor de messen. Dan moest de maaimachine een eindje teruggetrokken worden, de paarden moesten ook een stapje terug doen, en dan moest ik de stapel opgestroopt gras voor de messen vandaan trekken.
De maaimachine kon niet in de hoeken van het weiland komen, en niet heel dicht bij de zijkant. Mijn vader ging daarom altijd nog met de zeis “neimeane”. Daar was hij dan misschien nog wel langer mee bezig dan met het maaien met de machine.
Als het gras voor kuil bedoeld was dan werd het eerst met de “swylmachine” op wiersen (“wjurdzen” in het fries) geharkt, en dan staken we het met de vork op de wagen. Thuis werd het dan in de kuilsilo gekieperd.
Later werd er trouwens heel anders gekuild. Het gras werd dan niet meteen opgehaald, het lag eerst een poosje te drogen. Dan werd het loonbedrijf door mijn vader ingeschakeld. Die haalden het gedroogde gras met een ladewagen op, en het werd in een lange strook op een hoop gegooid. Terwijl de ladewagen om een nieuwe voorraad ging reed ondertussen een tractor steeds heen en weer op de hoop, zodat het goed in elkaar geperst werd.
Als de hoop groot genoeg was en alle gras opgehaald, werd de hoop afgedekt met zwart kuilplastic. En daar werden een hoop oude autobanden opgegooid om te zorgen dat er wat gewicht op kwam en het plastic niet ging klapperen.

De silo werd later dus niet meer voor kuil gebruikt. Daarom kwam mijn vader op het idee om er een dak op te maken, zodat het als onderdak voor de kalveren kon dienen.
Dat dak heb ik er toen op gemaakt. Het werd een puntdak met 16 hoeken.
Ik begon met vier balken tegen elkaar, daar kwamen nog eens 4 tussen. En toen in alle acht openingen nog een balk. Tenslotte heb ik alles afgedekt met planken. Daar kuilplastic overheen. Wiebe de Vries heeft er later nog een asfaltlaag op gelegd.

Als het gras niet voor kuil werd gebruikt moest er hooi van gemaakt worden. Dan moest het weer wel goed zijn, de zon moest er dan wel bij zijn. Mijn vader ging er dan een paar keer met de schudder doorheen, zodat het wat van de grond kwam en de zon er goed vat op kon krijgen.
Daarna werd het met de “swylmachine”, ook wel acrobaat genoemd, op wiersen geharkt.
Als het droog genoeg was werd het vroeger, in het begin dat mijn vader boer was, op een wagen geladen en naar huis gebracht.
Later werd het eigenlijk altijd in pakjes geslagen door de hooipers. Dan werd het loonbedrijf gebeld dat de pickup kon komen om het hooi in pak te slaan.
Het was vaak spannend of het allemaal ging lukken, soms was er regen op komst en dan was het maar de vraag of de hooipers op tijd kwam. Als het mooi weer was wilden vaak een heleboel boeren hun hooi in pakjes laten slaan, en er werd vaak gezegd dat de grote boeren voor gingen bij het loonbedrijf.
Als mijn vader het weer niet vertrouwde moest het hooi in “oppers” gezet worden, in hoopjes zodat de regen er niet zo goed in door kon dringen. En dan moest het de volgende dag, of één van de volgende dagen, weer over het land verspreid worden zodat de zon zijn werk kon doen.
Mijn vader was altijd heel voorzichtig, hij was doodsbenauwd voor hooibroei. Hij zorgde er altijd voor dat het pas in pakjes werd geslagen als het goed droog was. Maar dat betekende wel veel extra werk, want als het geen vast weer was dan moest het soms verschillende keren in oppers worden gezet en weer uit elkaar worden gegooid.
Er waren nogal wat boeren die veel haastiger waren, en het hooi soms te vroeg binnen haalden. Als het hooi te heet werd kwam er iemand van de brandverzekering “te roedzjen”. Er werd dan een lange staaf met een thermometer in het hooi gestoken om te kijken wat de temperatuur was. En als het te heet was moest het hooi er soms uitgehaald worden. Dan kon het ook niet meer als voer voor de koeien dienen, want dan was het zwart. Soms vatte het vuur als het naar buiten werd gebracht, want dan kwam er zuurstof bij.
Het waren vaak dezelfde boeren, die hooibroei hadden. En dat ging altijd als een laaiend vuurtje door het dorp. En als de boer te laat was werd het echt een laaiend vuur, dan kon de boerderij in vlammen opgaan, dat is ook meerdere keren gebeurd.
Hieronder een paar foto’s van het hooien. Links ligt het hooi op wiersen, daarnaast het hooi in oppers, dan zie je de hooipers (pickup) in actie en rechts hooipakjes opladen.

hooihark (“rieuwe”)

Als het hooi van het land was dan waren we nog niet klaar.
Als de hooipers geweest was dan bleef hier en daar nog wel een plukje hooi achter. Mijn vader was heel precies, hij vond dat dat niet kon blijven liggen. Dan moest ik vaak “neiswylje“.
Met een hark moest ik dan het hele land over om alle overgebleven hooi bij elkaar te harken. Dan was ik een halve dag bezig, en dat had ik misschien één oppertje verzameld. Dat vond ik niet leuk, vooral niet als het op zaterdag moest gebeuren en ik het korfballen er voor af moest zeggen.

En als het dan helemaal schoon was ging mijn vader kunstmest strooien. In het begin van zijn boer-zijn deed hij dan een fietsband om zijn hals en daar hing hij een emmer met kunstmest in, en dan strooide hij de kunstmest met de hand over het land. Later kregen we een kunstmeststrooier, die door het paard getrokken werd, en dan ging het heel wat gemakkelijker en sneller.

Verdere verbouwingen

Hier boven heb ik al een aantal verbouwingen, die mijn ouders hebben laten doen, genoemd. Maar er is meer gebeurd.
Eén van de eerste dingen was de hooiberg.
Toen mijn ouders in mijn geboortehuis kwamen wonen was er achter de boerderij een heel eenvoudige hooiberg. Die bestond uit vier palen, en een kap. In de palen zaten ongeveer om de halve meter een gat geboord, waar een metalen staaf doorheen kon worden gestoken. De kap rustte op die staven.
Als de kap omhoog moest plaatste mijn vader een ladder onder een hoek van de kap, en dan tilde hij de ladder op zodat de kap omhoog ging. Er moest altijd iemand anders bij zijn om hem te helpen en er moest nog een tweede ladder zijn. Die ladder werd tegen de paal gezet, en dan moest de staaf uit het gat waar hij eerst doorheen zat, verplaatst worden naar een hoger gat. Als dat gebeurd was kon mijn vader de kap op die hoek weer laten zakken tot hij op de staaf rustte. Zo moesten ze dat op alle vier de hoeken doen.
Dat was allemaal nogal omslachtig. Daarom is er een nieuwe hooiberg gekomen.  De nieuwe hooiberg bestond ook weer uit vier palen en een kap. De palen waren oude electriciteitspalen, die door de gemeente waren afgeschaft. Er werd aan elke paal een lier bevestigd, zodat de kap door aan de lier te draaien, omhoog getakeld kon worden. En de oude kap werd gebruikt om er een wagenhok van te maken.

Dat wagenhok was aan de zijkanten en achter dichtgetimmerd, maar aan de voorkant was het open, er zat geen deur in. Alleen op oudjaarsdag timmerden we het dicht nadat er van alles in gebracht was. We waren dan een paar dagen bezig met het ophalen van alle hekken, die de toegang tot de weilanden vormden. En verder van alles wat los op het erf of op het land stond. Alle gereedschappen, kruiwagens, karren enz. moesten naar binnen.
Want in de nacht van oudjaarsdag op nieuwjaarsdag werd er “gesleept“.
Alle jongeren gingen dan ‘s nachts op pad om te kijken of ergens spullen los stonden, die werden ergens anders heen gesleept. Het is in Oenkerk wel gebeurd dat er op nieuwjaarsdag een complete boerenwagen boven op het dak van de school stond. Die wagen was op de grond uit elkaar gehaald, alle stukken waren op het dak gesleept, en daar was de wagen weer in elkaar gezet.
Zelfs ‘s morgens vroeg op nieuwjaarsdag moest je nog uitkijken. Als mijn vader ‘s morgens vroeg aan het melken was, en dan stonden de melkbussen buiten. Op een bepaalde nieuwjaarsmorgen zag mijn vader, toen hij een emmer met melk in een bus zou legen, dat een jongen van plan was de melkbussen te pakken. Mijn vader pakte een vork en dreigde hem daarmee te steken, en toen droop hij af.

Toen ik circa 15 jaar was vond er weer een ingrijpende verbouwing plaats. We hadden tot die tijd geen wc in huis, geen stromend water en geen keuken.
Maar nu was het plan een gedeelte achter het huis te bouwen, en daar een keuken, een wc en douche en een wasruimte (“bijkeuken”) in te maken.
Maar het probleem waren de financiën, het mocht niet veel kosten.
Mijn vader heeft toen een partij oude stenen opgekocht, die van een afbraakwoning afkomstig waren. De eerstvolgende winter heeft mijn vader de hele winter elke avond een paar uur zitten bikken: de oude cement moest met een bijl van de stenen worden afgebikt.
En de volgende zomer konden we met de bouw beginnen. Eerst gingen we de fundamenten uitgraven, met de hand, tot we op het vaste zand zaten. Dat zat niet heel erg diep, maar toch zouden er heel veel stenen in de grond verdwijnen als we direct vanaf de vaste laag gingen metselen. Dat was veel te duur.
Daarom groeven we achter de silo een groot gat, en daar haalden we geel zand uit. Dat werd in de sleuven voor de fundamenten gedaan, en daar werd dagen lang steeds water op gespoten zodat het heel stevig werd.
En daarop werden de eerste stenen gemetseld.
Johannes Jeltema, die in de buurt woonde en vaak dit soort klusjes deed, werd gecharterd en hij ging er ‘s avonds en ‘s zaterdags mee aan de slag. Hij werd geholpen door Nammen, die had toen verkering met Seppie en was timmerman. De broer van Nammen, Klaas, was metselaar en dat kwam ook goed van pas. Nammen is later met Seppie getrouwd.
Toen de muren klaar waren, het dak er op zat, en de ramen geplaatst waren, moest er een doorgang naar de kamer gemaakt worden. Want er zou een kozijn met een deur vanuit de kamer naar de keuken komen. Er moest een gat in de muur gehakt worden, maar dat was niet gemakkelijk want het was een steens muur zonder spouw. Mijn broer Jan en ik zijn toen een hele dag aan het bikken geweest met moker en beitel tot het gat in de muur groot genoeg was, want de muur doorzagen met een flex was er in die tijd nog niet bij.

Vader onderweg om de balken op te halen

Zo kregen we een keuken, wc en douche!
Eindelijk konden we in de keuken de kraan open draaien en er kwam water uit! Maar ook toen gebruikten we nog heel veel water uit de regenbak, die naast het huis was. Thee van kraanwater was niet te drinken volgens mijn ouders, dat water moest uit de regenbak komen.
Ik geloof trouwens niet dat mijn vader ooit bij ons onder de douche is geweest.
Nadat ik ging trouwen werd de doucheruimte hoofdzakelijk als opslagruimte gebruikt.

Het jaar daarop werd de schuur aangepakt. Het dak was heel slecht, het bintwerk was behoorlijk vermolmd, en de achtermuur stond op instorten.
Mijn vader heeft toen een aantal grote dikke balken uit de hervormde pastorie opgekocht. Die pastorie werd toen afgebroken en er kwam een nieuwe voor in de plaats. Mer paard en wagen zijn we er naartoe gereden, en zo hebben we de balken opgehaald. Die zijn toen gebruikt voor het bintwerk.
Het hele dak is er af geweest, en er is een compleet nieuw dak opgekomen. Maar de oude dakpannen zijn weer gebruikt. De achtermuur werd opnieuw opgemetseld. Ook dit werd weer gedaan door Johannes Jeltema, Nammen en Klaas. En wij hielpen zoveel als mogelijk was mee.
Voordat de dakpannen er weer op kwamen moest de ruimte tussen de balken onder de panlatten opgevuld worden met riet. Dat heb ik voor het grootste gedeelte gedaan. Een aantal weken in de zomervakantie ben ik daar mee bezig geweest. De hele dag zat ik dan op het dak, en dan steeds maar riet onder de latten stoppen. Zo’n dak hadden veel boerderijen in die tijd. Het riet onder de pannen werkte isolerend en was doorlatend; dat was ‘s winters nodig in verband met de “koeiendampen”.

stormlamp

Toen het klaar was was ik behoorlijk bedreven in het “reitstopjen”. Meint Jilderda bouwde vlak daarna een nieuw hok voor zijn vee, en hij vroeg mij of ik mee wilde helpen om zijn hok “te reit-bestopjen”. Dat heb ik toen gedaan.
Meint Jilderda was melkrijder, hij deed dat met een traktor en wagen. En tussen de melkritten door had hij wel wat tijd over. Dan hielp hij mijn vader vaak, vooral in de hooitijd. En met de traktor gingen een hele boel dingen veel gemakkelijker.

Na de schuur was het “hok” aan de beurt. Dat was de ruimte waar de kalveren en hokkelingen in de winter zaten. Ook dat was aan een grondige opknapbeurt toe.
Deze keer kocht mijn vader een partij straatstenen op, en die werden gebruikt om de muren opnieuw op te metselen.
Er kon toen niet heel veel tegelijk gemetseld worden, want straatstenen zijn eigenlijk te hard en de specie hecht daardoor niet erg goed. Maar het ging allemaal voorspoedig.
Er werd een nieuwe vloer van beton gelegd, en er werd een electriciteitskabel naar toe gelegd, zodat er ‘s avonds ook licht was.
Voor die tijd gebruikte mijn vader altijd een zogenaamde stormlamp, als hij er ‘s avonds heen moest.

Naar het vervolg: Mijn overgrootouders